Over de foto

Op deze website zie je een foto van een platgebrand stuk bos, met daarin een klein groen sprietje: leven. Dit beeld symboliseert voor mij de kern van narcistische mishandeling. Het is een soort spirituele moord, die al het leven uit je haalt. Bijna drie jaar geleden schreef ik in mijn dagboek komend fragment, over de gevolgen van deze moord. Gelukkig bleek een klein deel van mezelf nog in leven te zijn en dit geldt voor iedereen die het is gelukt te ontsnappen. Het gaat er om, dat leven steeds sterker te maken.

Er is in deze wereld nog veel te weinig bekend over de gevolgen van narcistische mishandeling. Het is moeilijk om er woorden aan te geven. Deze dagboekfragmenten spraken direct vanuit mijzelf (of wat daarvan over was).

oktober 2010

Niets is pijnlijker dan niet meer kunnen voelen dat je leeft. Als bijna al het leven aan je onttrokken is. Daarom heb ik de dood zo vaak overwogen. Mijn kind heeft me gevraagd echt voor het leven te kiezen. Hij leeft en hij vraagt van me dat ik leef.

Ik zie zo veel mensen om me heen die nog steeds alles mooier proberen te maken. Met mooie objecten – rekwisieten – of sprookjes die ze zichzelf vertellen, omdat ze nog niet in dat innerlijke dorre landschap zijn geweest; in die leegte, waar eerst hun werkelijke beleving was. Die helemaal is platgebrand en waar een pop moest opgroeien die moest zeggen en moest neerzetten wat door de ouder geëist werd. Die aangeleerd kreeg wat zogenaamd “liefde” is op die ruïnes van wat zij ooit was. Zij was liefde, god wat hield ze van het leven.

Je hoeft maar naar buiten te gaan om de lucht in te ademen. Al naargelang het seizoen ruikt het anders. De kruidige geur van de herfst of die geur vol beloftes van de lente. De warme lucht van de zomer, de bevroren lucht in de winter. Je hoeft maar te ruiken. Maar wat als dat allesverzengende vuur alles heeft platgelegd?

In dat platgebrande land ben ik onder de grond gekropen. Ik heb net zo lang gewacht met tevoorschijn komen tot het weer veilig was. Ik laat mij door niemand vertellen dat het veilig is, ik wil het zelf ervaren. Ik ben al vaak genoeg besodemieterd. Die ander zei dan dat het veilig was omdat hij iets van mij nodig had. Dat is geen veiligheid.

Ik kom heel voorzichtig te tevoorschijn en tast de omgeving af met al mijn zintuigen. Voetje voor voetje kom ik naar buiten. Daar is mijn zoontje; hij laat me een tekening zien. Hij kijkt naar mij, hij ziet mij… Dus zie je wel, ik leef. Niets is enger dan kijkende ogen waar niemand achter zit. Mensen… echt, dat is zo godsgruwelijk eng. Dat maakt dat je niets meer wilt voelen.

Hier zijn meer mensen om mij heen. Bedankt dat ik mag deel uitmaken van dit leven. Dit is genezend, dit in de realiteit zijn.

De mooie woorden, de trucjes, de manipulaties die van alles moeten oproepen om mij ergens te krijgen, die zijn niet genezend. Ze zijn dodelijk. Ik doorzie ze meteen. Ik ren terug naar mijn holletje. Ik heb de leegte en de stilte nodig om mezelf weer bij elkaar te rapen. Het besodemieterd worden versplintert je elke keer weer, alleen herken ik het steeds eerder. Zo kan ik het voor zijn.

Levende doden, die praten over “vergiffenis” of “onvoorwaardelijke liefde”. Plastic etalagepoppen, met harde ogen waar geen ziel achter zit en die het leven van anderen nodig hebben. Als vampieren het leven in zich opzuigen. Hun innerlijk verdorde landschap, daar durven ze niet naar binnen. Zo zonde …

Ze zouden ontdekken dat er nog wel iets leeft. Een klein groen plantje te midden van de donkere as. Alsjeblieft! Als je het vindt…. Wees voorzichtig met dit plantje. Vertel aan niemand dat het er is. Laat het eerst groter worden, steviger, laat het wortelschieten. De enige voeding die het nodig heeft ben jij. Echt, jijzelf bent voldoende. Koester het, verwelkom het zonlicht, zet het er middenin. Als het te hard regent, haal het binnen. Maar het aller, allerbelangrijkste: vertel het niet aan anderen. Je weet nooit wie het inneemt, puur en alleen voor zichzelf. En dat, dat is de dood van dat kleine plantje. Dat onttrekt het laatste leven dat je nog in je had. Dus alsjeblieft; zoek de stilte op. Durf met jezelf alleen te zijn. Kijk rond, luister, voel. Wacht af.

Dat kleine groene sprietje, dat het overleefde, groeit. Het heeft altijd op jou gewacht. En jij bent niet alleen, er zijn meer mensen die veilig zijn. Die gewoon vanuit zichzelf leven. Die niet naar je kijken om bij jou te vinden wat ze voor zichzelf nodig hebben. Ze kijken gewoon naar je en laten je daar. Ze eisen niets van je. En nog beter: ze zijn bereid te luisteren naar je ervaringen in die hel, naar je schrijnende eenzaamheid. Al die jaren dat je volhield. Tot je tevoorschijn kwam. Ze hebben hier respect voor.

Het kan zijn dat jij een hand uitsteekt. Maar het kan ook zijn dat zij dat doen. Gisteren nog. Ik was weer zo ver weggekropen omdat het daarbuiten zo onveilig was. En daar diep onder de grond is het veilig, maar ook alleen. Je weet niet of je ooit het zonlicht nog ziet. Maar alles is beter dan volkomen verteerd te worden. Afijn, daar zat ik en mijn zoontje gaat naar bed. “Mamma”, roept hij. Hij dwingt me te kijken. Daar staat hij aan de hand van zijn vader, mijn man. “Mamma”. Hij voelt hoe ver weg ik ben. Ik zie het in zijn ogen, hoor het in zijn stem. Ik vertaal het: “Mamma, ben je er nog als ik morgen weer beneden kom?” Ik kan het allemaal waarnemen, in die ene seconde. En ik zeg ja: “Ja, ik ben er nog”.

Ik kom naar boven, uit de catacomben. Ik kom naar boven, want dat kleine plantje in mij dat ik zo goed beschermde zodat het eerst steviger kon worden… Want jij lief jongetje dat leeft en alle recht op leven hebt.. Want de andere mensen die daar zijn… Ik weet dat ik geroepen wordt. Dat het leven roept. Die roep echoot in mijn ziel.

Ik ben blij dat ik nog leef. Het is het waard om elke dag voor te vechten.
En het is niet iets dat gevangengenomen kan worden, ingenomen kan worden. Maar het is dus ook niet iets dat anderen voor je kunnen doen. Het is iets wat alleen jijzelf kan doen. Je openstellen. Durven voelen, durven kijken.

Durven horen dat je geroepen wordt.

Iris.